De Cito Eindtoets
De vragen van de Cito Eindtoets zijn vaak ingebed in een ‘context’ en voorzien van een illustratie. Zulke vragen toetsen dus naast de eigenlijke rekenvaardigheid, ook zaken als ‘kennis van de wereld’, ‘begrijpend lezen’ en ‘aflezen van tabellen en diagrammen’.
Het is interessant om de toetsvragen los van de contexten te onderzoeken op hun rekenkundige kern, dat wil zeggen: op de echte rekenvaardigheid die wordt getoetst. Met dat doel kunt u hier een pdf-bestand openen en/of printen met daarin een introductietekst en een lijst met de 'kale' rekenopgaven. Tevens kunt onderstaande tabel bekijken met alle rekenopgaven van de eindtoets van 2008.
De Cito Eindtoets strekt zich uit over drie dagen. Per dag zijn er 20 meerkeuzevragen.
De beschikbare tijd die de leerlingen per dag voor de beantwoording van die opgaven hebben, is 35 minuten. Dag 2 is geheel gewijd aan hoofdrekenen, de beide andere dagen mogen de leerlingen ‘uitrekenpapier’ gebruiken.
De Cito Eindtoets 2008 | |||||
| som nr |
de reken-opgave (na destillatie uit de tekst) |
antwoord kiezen uit |
'handig' rekenen is mogelijk? ja |
normaal rekenen geeft meer kans op goede antwoord? ja |
stof voor groep: |
|---|---|---|---|---|---|
dag1 van de Cito Eindtoets 2008 | |||||
| 1 | 2/3 = ... % |
7 | |||
| 2 | 307 - 178 |
5 | |||
| 3 | 202 x 202 |
5 | |||
| 4 | 1 liter = ... x 20cl → 55 x 10 |
6/7 | |||
| 5 | 0,9 + 9 + 0,09 |
6 | |||
| 6 | 1/3 , 3/4 , 1/2 , 3/5 orden van klein naar groot |
5/6 | |||
| 7 | 30% → breuk(ongeveer) |
|
6/7 | ||
| 8 | 0,703 = 7/10 + ... |
5 | |||
| 9 | 50% = 2500 ⇒ |
5 | |||
| 10 | 5 kg : 250 gram |
6 | |||
| 11 | 250 ml = ... liter |
7 | |||
| 12 | 100.000 : 5000 |
5/6 | |||
| 13 | 45,15 + 5 |
5 | |||
| 14 | 4,9cm = ... mm |
5 | |||
| 15 | 96,8 + 4,2 + 25 |
6 | |||
| 16 | 24,98 ⇒ 14,98 hoeveel % korting ongeveer? |
|
7 | ||
| 17 | 1 - 1/3 - 1/4 (ongeveer) |
|
6 | ||
dag2 van de Cito Eindtoets 2008 | |||||
| 1 | 485 - 195 |
5 | |||
| 2 | 1,5 : 15 = ... % |
5 | |||
| 3 | 36 : 12 |
4 | |||
| 4 | 29986 : 500 (is ongeveer gelijk aan) |
|
5 | ||
| 5 | 40 : 2 |
4 | |||
| 6 | 2000 : 500 |
5 | |||
| 7 | 9/10 x 10.000 |
6 | |||
| 8 | 20 x 8,95 |
7 | |||
| 9 | 2094600 Hoeveel is dit ongeveer samen? |
|
5 | ||
| 10 | 1,9 x 55 |
7 | |||
| 11 | 2,088 x 0,98 + 3,910 x 1,99 (is ongeveer gelijk aan) |
|
5 | ||
| 12 | 4,8% van 2000 |
7 | |||
| 13 | 750 = ... x 500 → anderhalfanderhalf x 100 |
5/6 | |||
| 14 | 5000 : 25 |
5/6 | |||
| 15 | 12978,14 - 1019,98 (is ongeveer gelijk aan) |
|
5 | ||
| 16 | 300.000 - 138.500 - 81.800 (is ongeveer gelijk aan) |
|
5 | ||
| 17 | 3 miljoen + 100.000 |
4/5 | |||
| 18 | 307,85 + (is ongeveer gelijk aan) |
|
4/5 | ||
| 19 | 4 x 40 → 160160 : 5 |
5 | |||
| 20 | 49 x 19,5 (is ongeveer gelijk aan) |
|
4/5 | ||
dag3 van de Cito Eindtoets 2008 | |||||
| 1 | 4/5 x 249 |
6 | |||
| 2 | 43,40 x 6 |
7 | |||
| 3 | 20:25 uur ⇒ 24:00
dit duurt |
4 | |||
| 4 | 500 m = ... km |
5 | |||
| 5 | aflezen op weegschaal |
|
5 | ||
| 6 | 3/4 = ...% |
7 | |||
| 7 | 0,4 = ../.. |
7 | |||
| 8 | 5 x (32650 : 7985) (ongeveer) |
|
5/6 | ||
| 9 |
visuele vraag |
5 | |||
| 10 | 5 x 3,5 x 1 |
6/7 | |||
| 11 | 1000mm = ...cm |
5 | |||
| 12 | 2/3 in cirkeldiagram aanwijzen |
5 | |||
| 13 | 25 x 5 x 60 x 8 |
5 | |||
Het eerste dat in bovenstaande tabellen opvalt, is het feit dat slechts 7 van de 50 opgaven het juiste niveau hebben. Daarbij komt dat in geen enkele opgave een berekening wordt gevraagd. Het precies en consequent kunnen opschrijven van een berekening is het belangrijkste dat een kind van de rekenlessen op de basisschool moet leren. Het kind leert daarmee ook precies en met begrip problemen op te lossen. Voor alle beroepen geldt immers dat nauwkeurig werken van het grootste belang is en bovendien de meeste voldoening geeft.
De rekenvaardigheid die nodig is om in de brugklas zonder problemen met wiskunde te kunnen beginnen wordt niet getoetst. Immers, een leerling wordt niet gevraagd om te laten zien dat hij in staat is een berekening precies en nauwkeurig op papier te zetten. Het optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen van breuken en het goed en consequent opschrijven van de berekening daarvan wordt ook in geen enkele opgave gevraagd.
De vragen hebben meer het karakter van een algemene taalvaardigheidstest en IQ-test. Dit zou op zichzelf nog niet zo heel erg schadelijk zijn, ware het niet dat scholen en ouders de kwaliteit van het rekenonderwijs grotendeels afmeten aan de behaalde resultaten bij de Cito-toets. De Cito-toets richt zich, wegens haar 'volgende' rol, op de schoolboeken. In de schoolboeken worden stapsgewijze berekeningen op papier ook niet of nauwelijks geoefend.
Samenvattend kan worden gesteld dat de Cito-toets, die in principe niet sturend mag zijn, de facto wel degelijk een uiterst sturende rol speelt. Immers, wat de Cito-toets niet toetst, wordt in de scholen doorgaans ook niet geoefend. De uitgevers van de schoolboeken bepalen in feite wat er op school geleerd wordt. De Cito-toets volgt de schoolboeken door te onderzoeken of kinderen de contextuele schoolboekvragen goed kunnen beantwoorden. Deze schoolboekvragen bevatten, naar uit bovenstaande tabellen met de 'kale' sommen blijkt, structureel te weinig echte rekeninhoud van het juiste niveau.
Het is dan ook de hoogste tijd dat niet de uitgevers, maar de overheid precies gaat bepalen wat een basisschoolleerling in elk van de leerjaren moet leren en kunnen en welk niveau van rekenen de leerling bij het verlaten van de basisschool moet beheersen.